Essay ‘God is een DJ’

DATUMapril 2014

Om jezelf ergens thuis te voelen is het van belang, dat je een binding aangaat met je medemens, maatschappelijke instituties, en gedeelde gebruiken, normen en waarden. Een al oud middel, om deze bindingen tussen mensen onderling, en tussen mensen en gebruiken, vlaggen, idealen, genootschappen, bedrijven of maatschappelijke instituties te creëren, is het inzetten van rituelen (Alaxander 2004). Rituelen worden in dit essay gedefinieerd als:

An idealized sequence of activities involving gestures, words, and objects, performed in a particular place, with the special ability to carry ancestral wisdom, create mutually focused emotions and attentions in a momentarily shared reality, and influence sacralized entities or forces on behalf of the actors goals and interests, which thereby generates solidarity and symbols of group membership. Rituals can fulfill religious obligations or ideals, satisfy spiritual or emotional needs of the practitioners, strengthen of social bonds, provide social and moral education, demonstrate of respect or submission, allow one to state one’s affiliation, obtain social acceptance or approval for some event—or rituals are sometimes performed just for the pleasure of the ritual itself (Collins; Durkheim).

Hoewel velen wetenschappers en schrijvers de bijzondere kracht van rituelen, om bindingen en collectieven te smeden, hebben benoemd, kan meer inzicht in de verbindende werking van rituelen een bijdragen leveren aan het creëren van meer thuisgevoelens. Dit essay heeft tot doel om deze verbindende werking van rituelen beter te kunnen begrijpen. Als er een omgeving is waar dit goed onderzocht kan worden dan is het wel in de kerk. Kerken gebruiken al sinds jaar en dag rituelen om mensen aan elkaar, het Christendom en de kerk te binden. Wat kerken echter nog interessanter maakt is, dat hoewel kerken bekend staan om hun krachtige rituele gebruiken, er toch over het algemeen sprake is van ontkerkelijking in Nederland. Sterker zelfs, één van de meest opvallende en indrukwekkende ontwikkelingen van de afgelopen 60 jaar is de ontkerkelijking van West-Europa en dan vooral in Nederland. Aangezien kerken en rituelen zo onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn roept de ontkerkelijking enige twijfel op over het succesverhaal van rituelen, of toch niet? Om hier een beter inzicht voor te krijgen moeten we dieper inzoomen op de ontkerkelijking in Nederland en de rest van de wereld. Want zowel in de statistieken en in de etnografische nuance blijkt veel informatie te liggen die ons meer kan leren over de werking van rituelen.

Hier volgen een paar opvallende statistieken met betrekking tot de ontkerkelijking in de wereld en in Nederland in het specifiek. Terwijl in 1947 nog 82,9% vaker dan één keer per maand naar de kerk ging, was dit in 1980 slechts 38% en in 2009 nog maar 17% (SCP). De ontkerkelijking ging het snelst van de jaren ‘60 tot aan 1985. Hierna was er nog steeds sprake van een ontkerkelijking, maar in een trager tempo. De ontkerkelijking is vooral in gang gezet doordat de jongeren, die behoren tot de generatie van 1945 – 1959 en die behoren tot de generatie van 1960 – 1974, wegbleven uit de kerken (SCP). De ontkerkelijking is aanzienlijk sneller gegaan in de grote en middelgrote steden, dan in de gemeenten met minder dan 50.000 inwoners (SCP). Dat hoogopgeleiden minder vaak gelovig zijn dan laagopgeleiden, bleek in 2004 nauwelijks te gelden. Mensen met een HBO of Universitaire opleiding bleken slechts 3 procentpunten vaker buitenkerkelijk te zijn dan het gemiddelde.

Onderzoek uit 1970 liet, contra-intuïtief genoeg, zelfs het tegenovergestelde zien. Mensen die de mulo gedaan hadden bleken 2 procentpunten vaker buitenkerkelijk te zijn dan mensen die de HBS gedaan hadden. Dit is contra-intuïtief, omdat de meeste mensen veronderstellen dat er een sterk negatief verband bestaat tussen wetenschappelijke kennis en religie. Onderzoek heeft echter aangetoond dat een dergelijk verband niet bestaat (Bruce 2002: 106-107). Ten slotte is het opvallend dat 97% van alle mensen die buitenkerkelijk zijn opgevoed, ook later in het leven buitenkerkelijk zullen blijven. Niet alleen blijkt het dus zo te zijn dat de meeste kerken slecht in staat zijn gebleken om hun traditionele achterban vast te houden tijdens de afgelopen 60 jaar, maar ze blijken nog slechter te zijn in het bekeren van ongelovigen.Hoewel mensen veel minder dan vroeger naar de kerk gaan om geloof te belijden, wordt de kerk nog wel veel gebruikt voor feestelijke ceremonies, zoals de doop, het huwelijk en de begrafenis. Zo werd in 2002 in het minst gelovige land van Europa (Denemarken), 65% van de kinderen gedoopt, vond 63% van de mensen trouwen in de kerk belangrijk, en liet 80% zijn begrafenis vooraf gaan door een kerkdienst (SCP).

Dat er in Nederland een indrukwekkende ontkerkelijkingstrend gaande is, wil nog niet zeggen dat alle kerkelijke stromingen even sterk leeglopen. Het aandeel mensen dat verbonden was aan de Nederlands-Hervormde kerk zakte tussen 1958 en 2007 van 23% naar 6%, dat van de gereformeerde kerk ging van 8% naar 4% en dat van de Rooms-Katholieke kerk nam af van 42% naar 17%. Alleen de Evangelische kerkgenootschappen, zoals de Evangelische Broedergemeenten en de Pinkstergemeenten, zijn gegroeid. Deze kerkgenootschappen bestonden in 1958 nog niet in Nederland, en zijn vanaf de jaren 70/80 overgewaaid uit de Verenigde Staten, Suriname en een aantal Afrikaanse landen. Tot 2007 is het aandeel leden van deze gemeenten gestegen van 0 naar 6 tot 8 procent. Over het precieze aandeel bestaat discussie, omdat een onbekend aantal thuiskerken van etnische minderheden, in sommige schattingen wel en in andere schattingen niet worden meegerekend (SCP). De evangelische gemeenten groeien vooral doordat immigranten zich aansluiten bij één van deze gemeenten en doordat autochtonen van een andere stroming overstappen naar een evangelische gemeente. De evangelische kerk trekt bovendien de meeste buitenkerkelijke mensen aan. Van de 3% mensen die buitenkerkelijk is opgevoed en toch besluit zich te laten bekeren, wordt het grootste deel bekeerd door evangelische gemeenschappen.

De evangelische stromingen doen het niet alleen goed in Nederland, maar zijn ook verantwoordelijk voor de onstuimige groei van het christendom in delen van Afrika, China en Zuid-Amerika. Barret et al schrijven dat zo’n 7600 Europeanen op een doorsnee dag de kerkdeur achter zich dichttrekken, maar dat daar 23.000 duizend nieuwe christen in Afrika tegenover staan, en dat ook in Brazilië, China en Chili met name de pinkstergemeenten kunnen bogen op forse groeicijfers (SCP; 102). Veel mensen maken de fout door te denken dat ontkerkelijking een mondiaal fenomeen is, wat onherroepelijk de wereld gaat beheersen door de toenemende modernisering. Dit blijkt niet zo te zijn. Zo behoort de Verenigde Staten, die toch bekend staat als uiterst modern en democratisch, tot de meest religieuze landen ter wereld (SCP; 102).

Al deze gegevens roepen een heleboel vragen op. Hoe kan het dat de ontkerkelijking een typisch West-Europees fenomeen is? Hoe kan het dat ondanks de algemene ontkerkelijkingstrend in Nederland, sommige kerkelijke stromingen sneller leeglopen dan anderen, en dat sommige stromingen, tegen de trend in, zelfs een bloei doormaken? Hoe kan het dat het christendom in Afrika, China en Zuid-Amerika bloeit? Hoe kan het dat de Verenigde Staten, ondanks een vergelijkbare modernisering als West-Europa, nog steeds een bolwerk van het christendom is? Hoe kan het dat de jeugd van de arbeidersklasse als eerst wegbleef uit de kerken en niet de hogeropgeleiden zoals vaak wordt verondersteld? En hoe kan het dat de ontkerkelijking in steden sterker is dan in dorpen?

In dit essay zal ik beargumenteren dat al deze vragen mede beantwoord kunnen worden aan de hand van de volgende stelling: De sex, drugs en rock & roll revolutie heeft ervoor gezorgd dat het seculiere landschap in West-Europa een aantrekkelijk alternatief is geworden voor vele kerkelijke stromingen, omdat zij beter is in het vormen van rituelen met transcendente effecten1 dan die kerkelijke stromingen. Hierbij ga ik uit van de aanname dat mensen in alle tijdperken en overal ter wereld vanuit hun natuur geluk proberen na te streven.

Ik wil niet beweren, dat de ontkerkelijking uitsluitend komt door de sex, drugs en rock & rol revolutie. Dat de kerken nu leegstromen komt door vele uiteenlopende factoren. De sex, drugs en rock & roll revolutie is eerder de druppel die de kan heeft laten overlopen, na een eeuwenlang lopende seculariseringtendens. Al vanaf de verlichting is de christelijke kerk steeds verder verdreven uit het publieke domein, en heeft het initiële functies verloren aan andere instituties. Zo heeft de kerk met de scheiding tussen kerk en staat nog maar een kleine politiek macht, hebben andere educatiestromingen het christelijke onderwijs naar de marges geduwd, heeft de wetenschap de hegemonie over het verklaren veroverd, en is onze uitgebreide verzorgingsstaat het voornaamste vangnet voor de armen en zwakken geworden. De sex, drugs en rock’n roll revolutie heeft alleen één van de laatste strohalmen van de kerk uitgedaagd: spiritualiteit.

Ik zal in dit essay eerst beargumenteren, waarom het creëren van transcendente gevoelens een essentiële eigenschap van de kerk moet zijn om aan hun spirituele doelstellingen te voldaan, en zo ongelovigen te bekeren en hun achterban te behouden. Hierna zal ik uiteenzetten waarom de sex, drugs en rock & roll revolutie mede verantwoordelijk is voor de indrukwekkende ontkerkelijking van de afgelopen 60 jaar in Nederland, waarom sommige kerkelijke stromingen harder zijn getroffen dan andere, en waarom er zo’n groot verschil is tussen de mate van ontkerkelijking in West-Europa en de Verenigde Staten. Hierbij zal de rol van de sex, drugs en rock & roll revolutie in het opwekken van transcendente gevoelens een centrale rol innemen. Vervolgens zal ik bespreken in hoeverre mijn theorie historisch draagvlak heeft. Ten slotte zal ik de verzamelde velddata toetsen aan de theorie.

Download hier de pdf van de essay ‘God is een DJ’.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Samuel de Zeeuw van Stipo.